Strafrechtelijk onderzoek Jasmine

Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in het
strafrechtelijk onderzoek ‘Jasmine’ ten aanzien van drie verdachten.
In de kern genomen gaat het onderzoek Jasmine over onregelmatigheden bij de afgifte en/of
aanvragen van bouwvergunningen en bij het aanbesteden van meerdere overheidsprojecten
na Orkaan Irma, tijdens het bewind van de verdachte E. in diens hoedanigheid van
(demissionair) minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur
(VROMI) van het Land Sint Maarten. In de ambtsperiode van de verdachte E. als minister van
VROMI was hij eindverantwoordelijk voor de afgifte van bouwvergunningen en het
aanbesteden aan bedrijven van (bouw)projecten die onder het ministerie van VROMI vielen.
Hierbij heeft de verdachte E. zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het aannemen van
steekpenningen, misbruik van functie en oplichting.
Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft de verdachte E. voor deze feiten
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden.
Daarnaast zal de verdachte worden ontzet van het passieve kiesrecht en het recht om het ambt
van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren.
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige misdrijven.
De feiten speelden zich grotendeels af in de periode kort na Orkaan Irma, die grote
verwoestingen aanrichtte op Sint Maarten. Het land bevond zich in de nasleep van deze ramp
en richtte zich op de wederopbouw, die mede onder de verantwoordelijkheid van het
ministerie van de verdachte viel. De verdachte vervulde daarbij in zijn hoedanigheid als
minister een maatschappelijke voorbeeldfunctie, waardoor aan zijn handelen de hoogste eisen
mochten worden gesteld. De verdachte heeft echter blijk gegeven van een schrijnend gebrek
aan moreel besef ten aanzien van het vertrouwen en de verantwoordelijkheid die hem door
het Land Sint Maarten in deze periode zijn toevertrouwd. De verdachte heeft met zijn
handelwijze het vertrouwen dat burgers in het openbaar bestuur moeten kunnen hebben, dan
ook ernstig geschaad. Het handelen van de verdachte heeft bovendien een ondermijnende
invloed op de samenleving als geheel en levert eveneens ernstige imagoschade op voor het
Land Sint Maarten. Dat de bewezenverklaarde feiten inmiddels langer geleden hebben
plaatsgevonden doet niet af aan de ernst van de feiten. Het Gerecht houdt rekening met de
overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen volgens de rechtspraak een verdachte
berecht moet zijn.
Deze strafzaak heeft onmiskenbaar diep ingegrepen in het leven van de verdachte. Als
publieke figuur in een kleine gemeenschap is hij in zijn aanzien aangetast. Daarin wordt
evenwel geen grond voor strafmatiging gevonden. Deze nadelige consequenties vloeien
immers rechtstreeks voort uit zijn eigen handelen. Het Gerecht overweegt voorts dat hetgeen
de verdachte heeft gesteld ten aanzien van zijn verbondenheid met het Land Sint Maarten en
zijn betrokkenheid bij de samenleving, niet goed te rijmen valt met de ernst van zijn handelen,
waarbij de verdachte dan toch zijn persoonlijk gewin boven het landsbelang heeft gesteld en

het in hem gestelde vertrouwen zwaar heeft beschaamd. Het belang van generale preventie
weegt in deze zaak bovendien zwaar. Voor de samenleving moet buiten twijfel staan dat een
handelwijze als die van de verdachte ontoelaatbaar is, nu slechts op die wijze kan worden
gewaakt over de integriteit van het landsbestuur van Sint Maarten.
Ook de verdachte D. is veroordeeld door het Gerecht. De verdachte D. is veroordeeld tot een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden wegens (het medeplegen
van) misbruik van functie en omkoping van de toenmalig minister van het ministerie van
VROMI in het kader van de afgifte en/of aanvragen voor bouwvergunningen. De verdachte
heeft door zijn handelen, uitsluitend voor eigen financieel gewin, de integriteit van een
minister en daarmee het vertrouwen dat burgers in het openbaar bestuur moeten kunnen
hebben, ernstig aangetast. Het Gerecht houdt ook hier rekening met de overschrijding van de
redelijke termijn waarbinnen volgens de rechtspraak een verdachte berecht moet zijn.
Tot slot is de verdachte B. door het Gerecht integraal vrijgesproken van de aan hem
tenlastegelegde feiten.
De verdachten E. en D. en het Openbaar Ministerie hebben de mogelijkheid om binnen twee
weken na de vonnissen in hoger beroep te gaan. De vonnissen zullen zo spoedig mogelijk
worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.